De spiritualiteit van het alledaagse   door Roel Bosch

Schotse liederen

We spreken over de jaren rond 1870. Ook de armste vissers en boeren op de Schotse Hebriden moesten belasting betalen. Ieder jaar kwam de ontvanger langs, te voet, met scheepjes van eiland naar eiland, van dorp naar dorp, soms maar een paar hutjes of huisjes bij elkaar. Als hij de stand had opgenomen was het vaak al te laat om weer verder te gaan, dus kreeg hij ergens onderdak. In het donker van de lange avonden was hij dan getuige van het leven van de mensen die sinds generaties in een redelijk voorspelbaar stramien leefden. Hij hoorde de tekst die de vrouw des huizes uitsprak, 's avonds bij het toedekken van het vuur, de gezegden over ziekte en dood, over zwangerschap en kinderen. Als hij doorvroeg, dan kreeg hij nog veel meer te horen. De mondelinge overlevering kende teksten voor alle gebeurtenissen van het leven. Als de vrouw de melk karnde, totdat de boter klaar was, sprak ze, steeds herhalend, deze tekst:

Gij die maan en zon laat stralen,
Gij die wei en stal hun vee geeft,
Gij die zee en beek de vis zendt,
stuur ons boter op zijn tijd!

Kom met gele klonten, kom!
Kom met gele klonten, kom!
kom met klonten, kommen vol,
kom met gele klonten, kom.

Alexander Carmichael, belastingontvanger, beschouwde het als een buitenkans dat hij deze teksten kon horen, en hij schreef ze op in hun oorspronkelijke taal, het Schots Gaelic, een Keltische taal die een bloeitijd had gehad rond het jaar 1000. Met liefde en aandacht spoorde hij mensen op die eeuwenoude teksten konden reciteren. Sommigen spraken ze met grote voorzichtigheid uit, alleen ergens in het geheim, waar niemand anders ze kon horen. De houding tegenover het Gaelic was negatief, de oude teksten werden als heidense toverspreuken veroordeeld door strenge dominees, nog slechts weinigen konden met viool, harp of fluit de voordracht ondersteunen. De leraar op school sloeg kinderen die een Gaelic tekst zongen met een riet op de vingers, kinderen mochten alleen onder een Engelse naam in de burgerlijke stand ingeschreven worden: het einde van een wereld leek in zicht. Daarbij kwam dat Engelse landeigenaren de bewoners van de Schotse Highlands en eilanden verjaagd hadden naar de arme kuststreek. Zo konden ze de binnenlanden als jachtgebied gebruiken, terwijl de oorspronkelijke bevolking onder erbarmelijke omstandigheden verkommerde. Velen van hen trokken weg naar Amerika. Een cultuur leek ten einde.

Maar toen verschenen, in zes delen, vanaf 1899, de 'Carmina Gadelica', 'Gaelic Liederen'. Zo zijn ze dan toch bewaard gebleven, en herkregen ze een bestaan. Vandaag de dag beginnen ze weer een plaats in de wereld van geloof en spiritualiteit in te nemen. Wat is het, dat ze hun kracht laat hervinden?

Zegen, God, mijn kleine koe,
zegen, God, mijn verlangen,
zegen ons samenleven, mijn koe en ik,
en de manier waarop ik haar melk.
Zegen, God, elke speen,
zegen iedere vinger,
iedere druppel die in mijn schaal valt.
Zegen, God, mijn kleine koe.

Ik las deze tekst bij heel verschillende groepen mensen. Jonge studenten, zonder ervaring met het leven van koeien. Gepensioneerde academici, hun leven lang bezig geweest achter bureaus en in laboratoria. Cursisten van een cursus 'hoger onderwijs voor ouderen', op zoek naar historische wortels van de Keltische spiritualiteit. Leden van een zelfhulpgroep van GGZ-clienten. In elke groep waren 'gelovigen', 'atheÔsten' en alles daar tussenin. Steeds waren er die er door geraakt werden, onafhankelijk van geloof of ongeloof. Geraakt, dat betekent dat ze een gelukkige glimlach toonden, soms met vochtige ogen even wegdroomden, soms ook uitspraken dat het hen raakte.

Is het de kinderlijke, naÔeve, vertrouwelijke omgang met God? Alsof God zich zou bemoeien met iedere druppel apart, alsof God de kleinste details van een koeienleven in het oog houdt! Wie gelooft dat nog, vandaag de dag? Of zou je dat nu juist nog willen geloven, al weet je dat het niet meer kan? Misschien is dat het wel, dat deze teksten verwijzen naar een verloren paradijs.

Of is het de literaire kwaliteit? In een eenvoudige woordenschat, niet beladen met filosofische of theologische termen, staat een heel leven op. Het is alsof we een foto zien, en zelfs een turfhut ruiken, waarin een vrouw haar enige koetje met aandacht tegemoet treedt. Weinigen hebben vandaag de dag ervaring met het melken van koeien, laat staan dat we ermee samenleven; de melk die in huis komt is nooit meer onbewerkt, gelig, romig, geurig. Maar deze tekst verplaatst ons in een wereld die ons aantrekt en afstoot tegelijk, en laat ons een mens ontmoeten die ons heel na staat, en toch ook heel ver weg is.

Maar misschien is het wel de ethische oproep die tot me komt. Wanneer lukt het mij, zo stil te staan bij dat wat ik doe? De vraag komt op, hoe ik omga met de grondstoffen voor mijn leven, met de druppels melk die vallen in de schaal. De zorgvuldige benoeming van dit samenleven, mijn koe en ik, lijkt te botsen met de haast in de contacten met al die mensen met wie ik een beetje samenleef, maar waar ik ook toch zo vaak langsheen leef.

Een koe heb ik niet, van mijn hond ben ik niet economisch afhankelijk, het gebed is voor mij niet relevant? Of nodigt het me uit om bij mijn alledaagse taken een soortgelijke verbinding te leggen tussen 'God' en mijn handen? Zegen, God, de toetsen die ik aanraak, de woorden die ik in een mail zet, de mensen van wie ik de namen invoer in de adresregel? Zegen, God, de groente die ik schoonmaak, de was die ik ophang? Of, met dat morgengebed voor bij het aantrekken van de kleren:

Laat me aantrekken de kracht en inzet van de zon die rijst,
het kleed van de eenvoud,
aandacht en geduld,
de rust om mijn gedachten te laten ontwaken,
zodat ik ga op uw pad, God vol goedheid,
totdat ik vannacht weer in vrede kan slapen...

Geaard geloof

Woorden in onze cultuur vliegen overal heen. Ze zijn, zeker sinds de uitvinding van de boekdrukkunst, mobiel geworden, niet langer gekerfd in de steen die geen mens van zijn plaats kreeg. Ook zijn ze niet meer als unieke, handgeschreven sporen achtergelaten op papyrusbladen of perkamenten ondergrond, ze waaien een wereld over, en worden haast net zo gemakkelijk weer versnipperd als ooit iemand ze samenvoegde. Gedigitaliseerd zijn ze al helemaal beland in een virtuele wereld, wat je merkt als je een virusmail krijgt met de vreemdste losse fragmenten.

Die Keltische teksten echter waar ik nu voorbeelden van aanhaal kunnen niet zomaar overal losgelaten worden. Ze verdienen het dat we hen eerst in hun context laten spreken. Zo gaan we terug naar de Hebriden, de eilanden die aan de westzijde van Schotland als een brede en oeroude laag uit de Atlantische Oceaan omhoog komen. Van die eilanden ligt Iona op een strategische plek: een 'stepping-stone' op de route van Ierland naar Schotland, een klein eiland, met een relatief groot stuk vruchtbare grond, de machair, waar de schapen kunnen weiden. Het is een klein eiland, kleiner dan Schiermonnikoog, met een grote naam: vele generaties bewoners van Schotland zagen het als heilige grond. Honderden jaren lang vonden de Schotse koningen er een graf, ook al betekende dat soms dat hun lichamen meer dan een half jaar onderweg moesten zijn, wanneer in de stormen van de winter de overtocht onmogelijk was.

Er zijn aanwijzingen dat het eiland al voor de komst van christenen als bijzonder ervaren werd. Zeker is in elk geval dat de Ierse monnik Columba (Columcinne, in het Gaelic) in het jaar 563 een klooster stichtte. Van hieruit trokken zijn leerlingen weer verder, om hun geloof uit te dragen in de rest van Schotland en Noord-Engeland. Via Holy Island, Lindisfarne, aan de andere kant van Schotland en Northumbria, gericht op de Noordzee, kwam ook de kust van de Lage Landen en ScandinaviŽ binnen het bereik van Iona.

Het christendom zoals dat hier groeide was niet 'Romeins' maar 'Keltisch'. Dat betekende dat het zich niet, gecentraliseerd, rond bisschopszetels concentreerde. Geestelijke leiders in een klooster of zwervend door de landen vormden de centra. Mannen en vrouwen met kracht in hun woorden en in hun handen, biddend en helend, prekend en zingend ook, stonden in aanzien. PoŽzie, de overdracht van wijsheid in goed gearrangeerde woorden, was heel belangrijk. Gods aanwezigheid was een vooronderstelling, zeker op heilige plaatsen. Pelgrimage stond in hoge eer: de mens heeft hier geen blijvende plek, maar is een pelgrim, steeds op weg, om aan het einde van de reis thuis te komen bij God zelf. Naast deze drie P's, Engels: Poetry, Presence, Pilgrimage, komt nog de vierde, die van Penitence: in boetedoen waren vooral de monniken in deze wereld goed. Psalmenzingend in de zee, tot het water ze aan de lippen kwam zelfs, voelden ze zich schoongemaakt en verbonden met God. Levend op eilanden, ver van beschaving, deden ze afstand van het kwaad.

Toen deze vorm van geloven in contact kwam met het 'oude geloof' ontstond er niet een oorlog, maar vooral een assimilatie. De oude Keltische aandacht voor het getal drie, drie jaargetijden, drie manifestaties van God, drie blaadjes van de heilige Shamrock, het klavertje, vond een bekroning in God in DrieŽn. De taal van de Psalmen, die onbekommerd over dansende bergen en zingende rivieren spreken, sloot aan bij de eigen natuurbeleving. Oude 'spells' en 'charms', betoverende spreuken en gezegden, kregen een christelijke doop. Zelfs letterlijk: de wijze vrouwen droegen, dansend, direct na de geboorte een kind drie keer in de richting van de zon rond het vuur, en doopten het; later deed de priester de doop nog een keer: natuur en genade vulden elkaar aan.

Op deze voedingsbodem ontstond een gebedscultuur die de rijkdom van taal over alle niveaus van de samenleving uitgoot. Veel niveaus waren dat niet: de Schotse samenleving kent, heel anders dan de Engelse, een grote gelijkheid. Boeren, vissers, en degenen die hun diensten leverden, dat was het wel zo ongeveer. Ellende, honger, rampen op zee en ziekte: ieder kon erdoor getroffen worden. Maar allen konden ook geluk en het goede van zee en aarde delen. Boer of visser, man of vrouw, het talent om verhalen door te vertellen verleende de armste onder hen een hoge status. De vaste gebeden konden door ieder gezegd bij de kernmomenten van de dag. Zo nam ieder op zijn tijd woorden van waarde in de mond.

Godsbeeld?

'In het begin, God,
vormde u mijn ziel en zette haar schering vast.
U vormde mijn lichaam en blies het de adem in.'

Zoals Carmichael zijn teksten verzamelde, zo waren in de negentiende eeuw overal in Europa mannen uit de elite bezig verhalen en liederen te verzamelen: de sprookjes van Duitsland en Noorwegen, volkliederen uit Frankrijk en Hongarije. Juist toen de maatschappij snel ging veranderen ontwaakte het besef, dat ze wel eens snel verdwenen zouden kunnen zijn. Uit oogpunt van cultuurbehoud is het goed dat ze bewaard zijn; maar is dat alles?

Psychologen, met Jung als bekendste, herkenden in de sprookjes al gauw 'archetypen', oerbeelden van menselijk karakter en menselijk gedrag. DŪe wijsheid werd er uit gepeurd, en in het dagelijks spraakgebruik zonder commentaar ingevoerd. Een 'Assepoestercomplex' geeft een problematische gezinssituatie aan, van Repelsteeltje weten we hoe belangrijk een verborgen naam kan zijn. Maar over 'God' kunnen we in deze verhalen toch moeilijk wat leren. Die doet in onze bekende sprookjes niet mee. Toen Hans Christian Andersen aan de oude sprookjes zijn eigen prachtige bedenksels toevoegde kwam wel de ethiek binnen, en de moraal van het lelijke jonge eendje, maar van God bleef hij toch maar liever af.

Heel anders is het in de schat uit Schotland. In die mengeling van teksten, van binnen en buiten het christelijk geloof, uit de tijden van de Keltische kerk, de Romeinse kerk, en zelfs het protestantisme, duikt 'God' voortdurend op. Zijn naam wordt in verband gebracht met het alledaagse. Wat biedt dat ons?

Christenen tussen 1970 en 2000 gebruikten vaak het woord 'godsbeeld'. De manier waarop mensen over God spreken en redeneren drukt een patroon uit dat diep in ons denken geslepen is, dat stand hield tegen de storm in, maar dat op een bepaald moment toch echt achterhaald lijkt. God als de Almachtige, de strenge en rechtvaardige Vader, ja, ook vol liefde, maar... De oude vroomheid van de protestantse zondagschool of de rooms-katholieke kostschool bij de zusters, bijvoorbeeld, kan mensen tot op hoge leeftijd dwars zitten. Dat verschrikkelijke 'godsbeeld' van vroeger. Wie de stand opmaakt, kan soms concluderen dat zo'n godsbeeld ook een verkeerd mensbeeld in stand hield. De strenge Vader, en daarmee de strenge aardse vader, aan wie je geen gunst mocht weigeren, is dan een vaak geciteerd voorbeeld.

Maar wat gebeurt er met een mens, wanneer zij of hij zo, als buitenstaander, over 'godsbeelden' praat? Dan gaat het er op lijken, dat God een objectieve grootheid is, te vatten in een kader. Wie het ene godsbeeld vervangt door het andere, houdt die nog wel 'god' over? Of is nu alles constructie geworden? Of, in de taal van bijvoorbeeld Martin Buber: blijft er nog een 'Du' over, een 'Gij', G.d, de verrassend andere, altijd, tot in de naam aan toe, een Mysterie?

Als ik die oude Keltische gedichten op een bepaalde manier lees, kan ik ze in flarden godsbeeld ontleden. Het kost wel moeite, want het klopt allemaal niet zo. De ene keer een superstrenge God, die zonden zal moeten vergeven, de andere keer …ťn die opduikt naast je schip in de golven, dan weer een God in DrieŽn, dan weer God in de ogen van mijn naaste. Toch, ik zou er een systematisch verhaal over een 'godsbeeld' van kunnen maken. Alleen, veel 'beeld', veel muziek ook, poŽzie, beeldende kunst, is er dan niet meer over.

Daarom: ik lees de teksten liever toch anders. Laat mij maar geraakt worden door die opduikende beelden, die zich voegen naast dat wat ik zelf elke dag meemaak. Die vrouw, die voor de zoveelste keer in haar leven een schering op haar getouw vastzet, voordat ze aan het weven van een stuk tweed kan beginnen, en denkt: Zo deed God dat met mijn leven, hij zette mijn schering vast, en ik sla er zelf iedere dag een inslag dwars doorheen. De jonge vrouw die, blik op nul verstand op oneindig, melk staat te karnen, en opeens, als de eerste klonten boter zich vormen, denkt aan hoe haar leven vorm gaat krijgen, tegen de verdrukking in. De visser die met angst in de benen aan boord gaat, en Petrus mee ziet lopen over het water, in dat oude verhaal dat ze elkaar doorvertellen, en dan denkt aan God, die een hand uitsteekt, en hem de zee op wenkt.

Honing

Een geleerde kan een uur lang een betoog over honing houden, maar als hij er zelf nog nooit van geproefd heeft weet het eerste kind dat een lepel honing aflikt meer dan hij, zo zei een mysticusĻ. Daaraan moet ik denken, als ik deze teksten lees. Ze scheppen aandacht voor de hele mens, en geven die mens de kans om verder te groeien, meer te proeven dan alleen de honing. Daarmee staan ze in een lange lijn, bijvoorbeeld die van de psalm die Gods woord kostelijker dan honing noemt.

Maar precies zo komt ook mijn theologische en protestantse geweten te voorschijn. Gaat het in het geloof niet om het woord, het Woord? Is het niet levensgevaarlijk om op menselijke ervaringen te bouwen? Trouwens, wat koop je voor die ervaringen als je leven een en al bitterheid is, vol pijn en moeite, narigheid en nood?

Een hele generatie kerkelijken in katholicisme en protestantisme is na de Tweede Wereldoorlog opgegroeid met een gezonde scepsis tegen alle Natuur-theologie. Wie het zoekt in bloed en bodem... En mooie woorden werden aan elkaar geregen, in lange en dikke boeken over dogmatiek en ethiek, Schillebeekcx en Kuitert, Berkhof en Rahner. De natuur is geen openbaring van God. De openbaring in de Schrift, in Christus, dat moet toch voldoende zijn? Het vergt woorden om dat uit te leggen, en het doen van gerechtigheid, gaat het daar niet om?

Ondertussen is een beeld- en muziekcultuur losgebarsten, worden woorden steeds moeilijker verstaan, zijn abstracte begrippen leeggelopen. Prachtige termen als genade, vergeving, verzoening, gerechtigheid, zelfs vrede en liefde - kan je daarmee standhouden? Het kerklied met de lange teksten is uit, het eenvoudige refrein keert steeds weer terug. De orthodoxe liturgie, de oude mis, het haast naÔef-simpele van Taizť schuiven langzaam over de kerkelijke beweging van de tijd na 1968 heen. Want mensen willen de honing zelf proeven - is dat het einde van die recente 'progressieve' ontwikkelingen? En is het weer vroomheid die de toekomst gaat bepalen?

Als ik naar mezelf kijk, en me afvraag wat ik in deze vorm van spiritualiteit zie, kom ik steeds weer uit bij mezelf als kind, jaren '60, Den Haag. In die vreemde, niet erg kindvriendelijke kerkelijke wereld, waren er psalmverzen die me intrigeerden: 'Rivieren klappen in de handen, de bergen jubelen het uit', Psalm 98. 'Zoals de cederbomen hoog op de Libanon staan bij de levensbron de nederige vromen', Psalm 92. Een wonderlijk engagement tussen natuur, het oude IsraŽl en het (steeds een beetje minder stoere) Gereformeerde protestantisme, en dat in de moderne stad, met al haar minachting voor de natuur en het spirituele, waar bomen sneuvelden en velden volgebouwd werden met flats of platgelegd voor asfalt.

Zonder dat ik het allemaal begreep riep het in mij iets wakker dat me sindsdien niet losliet. Het woord en de ratio zijn niet genoeg om het vol te houden, het geloof in God, het geloof in het goede; zeker ook niet genoeg om het vol te houden, het goede te zoeken en te doen. Die oude teksten, die zo naadloos aansluiten bij de Keltische spiritualiteit, blijven de openheid voor Gods aanwezigheid belijden en bezingen. Ze blijven geloven in een weg die niet over asfalt gaat, maar over de opgespoten velden met de vreemdste bloemen, meegekomen met de wind. En ook weten ze van penitentie, boetedoening en opnieuw beginnen, zoals dat nodig kan zijn, juist voor wie vastgelijmd leek aan materie en organisatie, de stenen van de stad.

ĻDe Gereformeerde mysticus Wilhelmus Schortinghuis, 1700-1750, in 'Het innige Christendom', Groningen 1740.

Gerechtigheid en gebed

Zoals mensen hun wegen gaan, zo ook de kerk, theologie, de mensen met geloof. De weg van de maatschappelijke actie en de inzet voor anderen, zoals die van Dag HammarskjŲld en Dorothee SŲlle, had ook, veel meer verborgen vaak, de innerlijke kant, dat moeilijkere pad. Bij die weg van de mystiek, het andere zien, kan in onze tijd de geloofsbeweging van de Keltisch-christelijke spiritualiteit een grote rol spelen. Juist het verband tussen vroomheid en engagement, een zekere naÔeve manier om God en mensen in ťťn adem te noemen, kan het gepolariseerde christendom stimuleren. Zoals in de bergrede de zaligsprekingen en concrete ethische oproepen samengaan met de uitnodiging van Jezus, te zien op de bloemen van het veld en de vogels van de lucht.

Exemplarisch is de manier waarop de Iona-community in Schotland ontstond. Het vervallen complex, na eeuwen leegstand, werd rond 1900 weer 'ontdekt'. De kerk kon als monument hersteld worden, de overige resten bleven een hoop stenen. Het was de predikant uit Glasgow George MacLeod die in de crisisjaren 1930 opnieuw een gemeenschap stichtte: werkloze bouwvakkers en theologen samen kregen de kans om hier samen te werken. Arbeid van hand en woord dienden in zijn optiek samen te gaan, aarde en hemel hebben alles met elkaar te maken. Langzaam maar zeker vormde zich een Iona-community, bestaande uit mensen die tijdelijk in de Abbey verbleven, terwijl het grootste deel van hun leven zich gewoon in de stad, Glasgow, Manchester, London, afspeelde, op de plekken waar de romantiek van een eiland ver te zoeken is.

Deze Iona-community combineert protest tegen Trident-onderzeeŽrs en nucleaire lozingen in de Ierse zee met de uitgave van boeken voor blessings, zegeningen. Liturgische vieringen van healing, met traditionele onderdelen uit de klassieke mis, gaan samen met de aandacht voor muziek uit Afrika en AziŽ, al op een moment voordat de kerken in West Europa daarin geÔnteresseerd waren. Net als Taizť wil 'Iona' niet een nieuwe kerk zijn. De associates en friends leven volgens een regel, met veel trekken van de Benedictijnse en Franciscaanse idealen, maar blijven lid van hun eigen kerk. Daarnaast kiest de gemeenschap wel duidelijk partij in sommige zaken waar 'eigen kerken' voorlopig nog niet over uitgesproken zijn. Zegeningen voor homorelaties zijn vanzelfsprekend, wie op Iona logeert waant zich vaak in een anthroposofische herberg, met eten, klaargemaakt uit eerlijke ingrediŽnten, de groenten van het seizoen.

Onder ons

Iona is een klein eiland, kleiner dan Schiermonnikoog. In Abbey en gasthuis kunnen zo'n 160 gasten tegelijk terecht, en die plaatsen zitten, vanaf de opening van de inschrijving in oktober, al gauw vol. Men streeft niet naar meer. 'Iona' wil geen heiligdom zijn, maar een inspiratieplaats; zoek het liever thuis maar uit! Hoe dat te doen?

In veel gevallen gaat het om het herkennen van dat wat je al wel wist, maar nog niet met elkaar in verband bracht. Teksten uit ons eigen land, de tafelgebeden van Wim van der Zee of de klassiekers van Guido Gezelle, liederen van Jan Wit en soms van Huub Oosterhuis, ze kunnen meedoen in deze stroom van spiritualiteit. Veel rooms-katholieke orden kennen ook dat wat subversieve, niet hiŽrarchische, dat de Keltische spiritualiteit kenmerkt; het calvinistisch protestantisme met de psalmzang heeft ook nog een tegoed met zich meegenomen, de doopsgezinde traditie met aandacht voor vrede en persoonlijke verwoording en keuze herkent veel van zichzelf. Maar kijk ook nog eens goed naar oud-kerkelijke hymnen: het oeroude 'Veni Sancte Spiritus', het lied voor Pinksteren, is een prachtig zintuigelijke tekst, die aarde en hemel verbindt.

Vanuit die rijke tradities die we zelf hebben moet het mogelijk zijn om vroomheid en betrokkenheid te verbinden, op de plaats waar je woont. De Nederlandse Ionagroep heeft vier regionale kernen waarin mensen elkaar regelmatig zien, en kunnen inspireren en 'bij de les houden'. Een of twee keer per jaar is er een landelijke ontmoeting. Het doopsgezind broederschapshuis in de duinen van Schoorl is voor velen al een beetje Iona geworden. Op de landelijke werkweek voor kerkmuziek en liturgie van de Protestantse kerk in Nederland klonken in getijden en dienst van Schrift en Tafel teksten uit deze traditie, en het bleek prima te passen. De groeiende aandacht voor spiritualiteit van de weg, geloven met de voeten, pelgrimage, sluit al evenzeer aan.

Daarnaast komt er steeds meer materiaal beschikbaar. De Iona Groep publiceerde in de afgelopen jaren twee toegankelijke bundels, met liederen en opstellen. Esther de Waal en Jaap Faber vertaalden al teksten. Zelf ben ik een verzameling aan het samenstellen voor gebruik in liturgie en pastoraat. U zult er in de toekomst vast meer van horen!

Het Gaelic is een taal die weinig toegankelijk is. Uitspraak is vaak anders dan de schrijfwijze doet vermoeden. Toch geeft deze tekst zeker wel een indruk van de poŽtische kracht van de klankherhaling, de korte woorden, de stapeling van begrippen die elkaar versterken.

Ik buig mijn knieŽn
en God die me schiep mag me zien,
de Zoon die me meenam mag me zien,
de Geest die me schoonmaakte mag me zien,
als vriend, als vertrouweling.
God, geef me,
door die Ene die u gezalfd hebt,
liefde tot u,
uw vertrouwen,
uw glimlach,
uw wijsheid,
uw genade,
ontzag voor u
en de gave uw wil te doen
op deze wereld van u gedrieŽn,
zoals de engelen en de heiligen
die in de hemel volbrengen.
In de schaduw en in het licht,
bij dag en bij nacht,
steeds weer, teder en sterk:
schenk ons uw Geest!

Ta mi lubadh mo ghlun
An suil an Athar a chruthaich mi,
An suil an Mhic a cheannaich mi,
An suil an Spioraid a ghlanaich mi,
Le caird agus caoimh.
Tre t'Aon Unga fein a Dhe,
Tabhair duinn tachar 'n ar teinn,
Gaol De,
Gradh De,
Gair De,
Gais De,
Gras De,
Sgath De,
Is toil De,
Dheanamh air talamh nan Tre,
Mar ta ainghlich is naoimhich
A toighe air neamh.
Gach duar agus soillse,
Gach la agus oidhche,
Gach uair ann an caoimhe,
Thoir duinn do ghne.

Roel Bosch, geboren Den Haag 1958, studeerde Theologie in Kampen, promoveerde in 1988 op een onderzoek naar spiritualiteit in de IJsselsteden in de 18e eeuw. Was predikant in Twello, Schiedam, en studentenpastor in Maastricht. Eindredacteur van 'De Eerste Dag', handreiking bij het Oecumenisch Leesrooster van de Raad van Kerken in Nederland. Associate member of the Leiden Institute for the Study of Religion. Bezocht enkele malen, o.a. met een groep studenten uit Nijmegen en Maastricht, Iona.

Zie ook http://roelbosch.noorderlichtgemeente.nl

De teksten in dit artikel komen uit:
Carmina gadelica en uit
Each day & each night, Celtic Prayers from Iona. J Philip Newell Iona/Glasgow 2003, vertaling Roel Bosch.

Verdere literatuur:
Liederen en gebeden uit Iona en Glasgow, Kampen 2004, twee uitgaven: eenstemmig en meerstemmig.

Opstaan, meer liederen uit Iona, Glasgow & de rest van de wereld, Kampen 2008, eenstemmig en meerstemmig.

Gerke van Hiele, doopsgezind predikant in Wageningen, redigeerde een bundel die een goede entree biedt:
Aanwezig onderweg, Keltisch-christelijke spiritualiteit voor vandaag, Kampen 2005.